|
Margreet
Hofland
Caravaggio
Uit het boek
Wie is wie
Lezing/cursus
Verantwoording
Gastenboek
In de media
Duizend levens
Contact
Foto's
Links
Bestel
English version |
|
ENKELE
FRAGMENTEN UIT HET GENIE VAN ROME (je kunt ook hier
het word.doc openen)
Uit de PROLOOG
Eerste alinea
uit de brief van Lucia Aratori -de moeder van Caravaggio- aan haar zoon.
Caravaggio, 23 juni 1589
Mijn
liefste Michele,
Soms
gebeurt er iets in je leven wat je nooit kunt vertellen. Zodra ik het
verstand in je ogen zag gloren, bedacht ik elke dag opnieuw de woorden
waarmee ik mijzelf zou verlossen van de loodzware last van mijn verzwegen
verhaal, jouw verhaal. Nooit kwam het moment waarop ik de juiste zinnen
vond. Je zult deze brief dus pas vinden na mijn dood.
‘…’
Uit Hoofdstuk II
Milaan, 1576
De droom van een kleine jongen
Hijgend rende
ik door de lange gangen van het palazzo, op zoek naar Marchesa Colonna,
wanhopig opende ik deur na deur.
`Donna Costanza, donna Costanza', snikkend vloog ik de hoeken om, verblind
door tranen. Mijn wilde gang werd plotseling onderbroken door een enorme
gestalte, gekleed in het statige Spaanse zwart van de adel, de witte
kraag als een molensteen om de hals geklemd. Een kale schedel zweefde
hoog boven mijn hoofd, als de volle maan het licht weerkaatsend.
Uit mijn evenwicht gebracht, viel ik op mijn knieën. De scherpe
pijn, veroorzaakt door de randen van de ruwe stenen op de vloer, maakte
dat ik begon te gillen. Ik sloeg onbeheerst om me heen. Toen drong pas
tot mij door tegen wie ik aangevlogen was.
Het is mijn held, Marcantonio Colonna, de beroemde vader van donna
Costanza!
Het was voor het eerst dat ik zo dicht bij hem was. Zijn ingevette laarzen
roken naar de zee, naar schuimende golven en buskruit.
Marcantonio, de admiraal van de pauselijke vloot, was de belangrijkste
persoon uit mijn kinderdromen. Hij stond aan het hoofd van een van de
oudste en machtigste families van de Romeinse adel, de Colonna's, én
was de vader van donna Costanza. In Milaan was hij de lieveling van
het volk en nadat hij de vloot van de paus naar de overwinning gevoerd
had, werd zijn naam ook buiten de stad bekend. In mijn ogen was hij
machtiger dan de paus zelf. Zijn zege op de Turkse vloot bij Lepanto,
een week na mijn geboorte, had hem beroemd gemaakt. Mijn moeder had
mij verteld dat zij toen net zo in gespannen afwachting geweest was
van nieuws over de afloop van de zeeslag, als van de komst van haar
eerstgeborene. Misschien was mijn band met de grote man toen al gesmeed.
Ik had de
Marchesa wel honderdmaal gevraagd mij nóg eens te vertellen over
de glorieuze intocht van haar vader in Rome, die twee maanden nadat
ik geboren was alle burgers de straten op had gedreven. `Op weg naar
de paus, over de Via Appia, de weg voor Romeinse overwinnaars, had hij
zich laten toejuichen door een uitzinnige menigte.' Ze had het mij zo
vaak beschreven dat ik de paarden en soldaten, die de gevangen Turken
opdreven, duidelijk voor me zag wanneer ik mijn ogen sloot. Op dit moment,
terwijl ik de pijn in mijn knieën negeerde en de blik van Marcantonio
als van God uit de hemel op mij neer zag dalen, schoten de beelden opnieuw
in alle kleuren en vormen door mijn hoofd.
Ik zag mijn held Rome binnenrijden over de brede Via Appia, geheel in
het zwart gekleed, op de stijve kraag na. Kaarsrecht zat hij op de rug
van zijn witte hengst, gevolgd door een leger van meer dan vijfduizend
soldaten. De zon schitterde op de duizenden helmen en zwaarden. Rode
pluimen deinden als klaprozen in een korenveld tussen de te hoop gelopen
menigte. Vóór hem, daar waar het stof hoog opvloog door
striemende zwepen, werden honderdzeventig geketende Turkse gevangenen
opgedreven. Voor hun ogen werd het vaandel van de verslagen sultan over
de grond gesleept. De juichende toeschouwers schreeuwden steeds weer
de naam van de overwinnaar: `Viva Marcantonio, viva', en klapten in
de handen. Trompetten jubelden, het gouden licht weerkaatste op het
koper en verblindde de toegestroomde massa. Aangekomen bij de Ponte
Sant'Angelo stak mijn held de Tiber over, omringd door vijfentwintig
kardinalen, die in open draagstoelen meereisden. De rode hoeden waren
van een grote afstand zichtbaar. Van daaruit vervolgde Marcantonio zijn
weg naar de Sint-Pieter en het Vaticaanse paleis, waar de paus hem verwelkomde
in de Sala Regia, wat een geweldige eer was.
Donna Costanza vertelde mij vaak over de beruchte zeeslag die voorafgegaan
was aan deze zegetocht. `Achtduizend christenen waren die dag gesneuveld,
maar nog veel meer Turken, het water kleurde zich langzaam rood om de
galei van Don Juan, de aanvoerder van de vloot. De zeilen schitterden
in de zon, als vrolijke banieren, de kanonnen aan de zijkant priemden
als spinnenpoten naar buiten. Het mooiste moment kwam toen het hoofd
van Ali Pasha op een spies naar hem toe werd gebracht. De staak was
besmeurd met bloed dat omlaag droop. Het afgehakte hoofd stak als een
trofee hoog boven de joelende massa uit, de verstarde blik omhoog gedraaid,
de oogballen uit het hoofd puilend.'
Ik zag in mijn verbeelding mijn held tussen de Turken staan, zwaaiend
met zijn zwaard, hoofd na hoofd afhakkend. Nu stond hij voor me, in
levende lijve, en het verbaasde mij dat er geen bloed aan zijn handen
kleefde. Hij greep mij onder de oksels en met een bulderende lach tilde
hij mij hoog de lucht in.
`Een kleine, donkere duivel die mij omver probeert te werpen', baste
hij met zijn zware stem. `Het is geen Turk gelukt, maar jij doet mij
zowaar op mijn benen trillen! Wanneer je volwassen bent, meld je je
maar bij ons palazzo in Rome; zo'n dolle hond als jij kan mijn belangrijkste
aanvoerder worden in de strijd tegen de Moren.'
Ik keek hem sprakeloos aan, mijn mond moet opengehangen hebben.
Toen liet hij mij weer op de grond zakken, mij in de overtuiging achterlatend
dat Rome mijn levensdoel was en dat ik daar ooit als ridder geëerd
zou worden. Met grote stappen en een bulderende lach beende hij weg
door de lange gangen waarbij het geluid van zijn zware laarzen duizendmaal
weerkaatste. Het duurde lang totdat de echo's geheel weggestorven waren.

Amore Vincitore

David met
het hoofd van Goliath |
|
MARGREET
HOFLAND
In maart 2003 kwam het eerste boek van Margreet Hofland uit. Een meeslepende
roman over het turbulente leven van de Italiaanse schilder Caravaggio
en zijn onverwachte band met het heden.
Het
genie van Rome
Paperback
554 pagina's
ISBN: 906265546 7
Uitgeverij: In de Knipscheer
Prijs: €
22,50
Uit
Hoofdstuk XVIII
Rome, 25
augustus 1605
Spijt
Met slepende
tred liep ik de heuvel op naar het machtscentrum van Rome, het Palazzo
del Quirinale. Ik liep langs Palazzo Colonna, dat leeg was zonder Costanza,
langs de twee enorme beelden van Castor en Pollux die, naast hun paarden
staand, ernstig over het Piazza del Quirinale keken. Ik was op weg naar
de zomerresidentie van de paus. Ik had er een afspraak met Scipione
Borghese, de nieuwe kardinaal, de neef van
Paulus V. Scipione die toevalligerwijze de naam van mijn zoon droeg.
Ik voelde mij ellendiger dan ooit. Teruggekomen uit Genua had ik de
deur van mijn huis op slot gevonden, mijn eigendommen waren in beslag
genomen. Voordat ik zo overhaast was vertrokken, had ik te weinig geld
gehad om de huur te betalen. Zodra de eigenares van het huis wist dat
ik weg was, had ze er een andere huurder in gezet. Er wachtte mij nog
een boete voor het vernielen van de muur, die ik had bewerkt met een
stoel op die gedenkwaardige nacht dat ik Lena op mijn drempel had gevonden.
Buiten alle andere dingen die ik van mijzelf vond, voelde ik mij nu
ook nog een zwerver. Ik vond tijdelijk onderdak bij Andrea Ruffetti,
een vriend van Onorio. Lena had ik bleek en stil in het huis van haar
moeder aangetroffen. Ze was bang, ik kon niet tot haar doordringen.
Er was een verdriet in haar, waar ik niet bij kon komen. Het litteken
op haar wang was een smalle roze lijn geworden, haar figuur was niet
meer dat van een jong meisje, maar ik hield meer van haar dan ooit.
In haar ogen las ik de pijn van een moeder zonder kind. Ze zat meestal
stil voor het raam naar buiten te staren en bracht in een steeds herhalend
gebaar haar hand naar de roze streep op haar wang. Ik voelde mij zo
machteloos!
Niets verbaasde mij meer, ook niet dat ik bij de hoogste kardinaal was
geroepen om mijn zaak te bespreken. Wat kon mij nog meer overkomen?
Ik wist van mijn gastheer Ruffetti dat Scipione Borghese nog geen dertig
was en pas drie maanden in Rome woonde. Hij was arm opgegroeid, pas
vijf weken kardinaal en had sinds enkele dagen ook een functie in de
regering. Zijn taak was om de Borghese-familie aanzien te geven en de
pracht en praal van onder anderen de Colonna’s te overvleugelen.
Volgens Ruffetti was hij bijzonder slim en hield meer van kunst dan
van geld of andere bezittingen.
‘Je moet dat uitbuiten’, zei hij. ‘Bied hem een schilderij
aan, het is je laatste kans.’
Met deze boodschap was ik naar Del Monte gegaan die het aan de nieuwe
kardinaal door moest geven. En misschien had het gewerkt.
Ik werd ontvangen in de privé-vertrekken van Scipione Borghese.
Hij liep naar mij toe en begon tegelijkertijd snel te praten met een
stroom van woorden. Hij fladderde rond in zijn rode habijt, waar hij
nog niet aan gewend was. Zijn te snelle bewegingen werden er door afgeremd,
soms bleef hij met de wijde mouwen achter de leuning van een stoel hangen.
Met zijn schrandere ogen nam hij mij intussen nieuwsgierig op, bijna
met bewondering. Hij wilde de tijd nemen om naar mij te luisteren en
ging zitten, al leek het alsof hij dadelijk weer op zou springen. Hij
probeerde mij op mijn gemak te stellen en stelde mij allerlei vragen.
Hij vroeg naar de oorzaak van mijn uitbarsting op de Piazza Navona en
luisterde verder zonder onderbrekingen naar mijn verhaal. Ik vertelde
over mijn liefde voor Lena, mijn ontkende zoon en mijn gestorven zoon.
Toen ik het medeleven zag op zijn vriendelijke gezicht, brak er iets
in mij. Ik huilde. Als een gevelde boom, een gebarsten rots, zat ik
in de weelderige, roodfluwelen stoel en huilde de tranen van een kleine,
eenzame jongen.
Scipione legde zijn hand op mijn hoofd en zei ontroerd: ‘Ik zal
je helpen, mijn zoon. God heeft mij op je weg gebracht, ik zal met je
vechten tegen het kwaad, dat als een loodzwaar kruis boven je hangt.
Ik ken je schilderijen, ik zie duidelijk dat God je hand gestuurd moet
hebben om zulk prachtig werk te scheppen. Ga naar huis om te werken,
begin aan een schilderij voor mij en kom morgen terug, dan zullen we
ervoor zorgen dat alles opgelost wordt.’
De volgende dag tekende ik in de kamers van Scipione, in het bijzijn
van zijn assistenten, een vredesverklaring met de inhoud dat ik nooit
meer een vertegenwoordiger van het gezag zou aanvallen. Als tegenprestatie
zou Pasqualone alle aanklachten tegen mij intrekken, maar zijn afstraffing
kreeg ik diezelfde avond nog. Ze grepen mij met vijf man tegelijk toen
ik op weg naar huis was. Ik had geen enkele kans en werd ernstig gewond
aan mijn hals en oor. Het ontbrak mij aan levenskracht om terug te vechten.
Langzaam herstelde ik bij Ruffetti van mijn wonden, geestelijk en lichamelijk.
Mijn leven leek weer een beetje op orde te komen, maar ik moest helemaal
opnieuw beginnen. Ik steunde nog steeds op Cecco, die voor mij zorgde
en op Prospero, die mij voortdurend in de gaten hield. Ook Cornacchio
bleef mij trouw. Ik had geen scudo meer. Ik maakte het schilderij voor
Scipione voor een te verwaarlozen bedrag en kreeg via hem de opdracht
om een portret van de paus te maken. Ik hoopte dat het mijn kansen zou
vergroten op meer kerkelijke opdrachten. Eind oktober mocht ik een schilderij
voor de Sint-Pieter maken.
Uit
Hoofdstuk XIX
Rome,Villa
Borghese,1985
David en
Goliath
Het licht
van de late middagzon staat nu bijna recht op de ramen, het is helderder
dan normaal. Het strijkt over het oppervlak van het doek en dat geeft
een bijzonder effect. Elke verdikking in de verf maakt een minieme schaduw,
alsof de verf loskomt van het doek. Lucas’ ogen glijden over de
plooien van het witte hemd van David, de vochtige onderlip van Goliath
en de wond op het voorhoofd, het ene oog kijkt hem, zoals altijd, onderzoekend
aan. Zijn vermoeden dat in dit schilderij de oplossing van het geheim
van Caravaggio te vinden is, wordt elke keer dat hij hier staat sterker.
Hij onderzoekt elke vierkante centimeter en staart naar de kleurvlekken.
Het doek bestaat uit twee aan elkaar gezette stukken. De naad is nu
duidelijk zichtbaar.
Zijn blik stopt bij het blad van het zwaard, hij ziet daar een aantal
verdikkingen met een regelmatig patroon, die zichtbaar worden door het
strijklicht. Onwillekeurig doet hij een stap dichterbij en hoort het
bescheiden kuchje van de suppoost. Alsof hij het schilderij zou kunnen
vernielen! Hij houdt zijn hoofd schuin en laat zijn ogen gespannen langs
het blad van het zwaard glijden. Het zijn onmiskenbaar tekens. Letters?
Verder dan dat komt hij niet. Het eerste teken zou een ‘H’
kunnen zijn, en daarna een ‘A’ ... maar natuurlijk!
‘H.A.O.S., lees het zwaard. U zult mijn Caravaggino herkennen.’
In die tijd werden vaak door de smid letters in het blad van een zwaard
gekerfd, maar dit zou iets anders kunnen betekenen. De verdwenen boodschap
van Caravaggio, de gevonden brief van Cutajar! Is dit de sleutel waarnaar
ik op zoek ben? Wie is de Caravaggino?
Lucas krijgt het warm. Hij probeert zich te beheersen. Hoe kan hij dit
beter onderzoeken? Hij realiseert zich dat hij niet wil dat Christofano
zijn ontdekking te weten komt. Het geheim is van hemzelf, voor hem alleen
bedoeld.
De volgende
ochtend leent Lucas zodra de winkels open zijn, een vergrootglas bij
de opticien in zijn straat. Als hij bij de villa komt, is het museum
nog niet open, maar de bezoekers staan zich al te verdringen voor de
ingang. Een toeristenbus spuwt zijn inhoud uit over het grind. Gelukkig
staat de suppoost al op zijn post. Lucas doet zijn uiterste best om
vriendelijk tegen hem te zijn. Trillend haalt hij zijn vergrootglas
tevoorschijn en buigt naar voren. Heel langzaam doemen de letters onder
het bolle glas op.
‘H.A.O.S. ... ... ... HumilitAs Occidit Superbium’,
Nederigheid Doodt Hoogmoed: het zijn de letters uit de brief van Cutajar.
Het is dus zonder twijfel dit schilderij dat het geheim verbergt, denkt
Lucas.
Uit Hoofdstuk XX
Rome, 1606
Vlucht
Drie dagen
bleef ik in het palazzo van Giovanni Niccolini, de Toscaanse ambassadeur.
Ik had veel pijn en soms zag ik de hemel van het bed voor mijn ogen
draaien. Af en toe voelde ik mij zo slecht dat ik de inhoud van mijn
maag leegde in de porseleinen schaal naast mij. Soms was het warm alsof
ik de brandende zon voelde, soms had ik het zo koud dat ik dacht dat
ik al in het kille water van de onderwereld dreef. Enkele malen zag
ik Del Monte, die tegen mij sprak, maar ik kon hem niet verstaan. Deze
keer was hij vroeg in de ochtend gekomen; mijn koorts was gezakt en
ik voelde mij redelijk helder.
‘Ik kan je niet meer redden, mijn zoon. Mijn macht is wankel onder
deze nieuwe paus. Je enige redding is kardinaal Scipione Borghese, die
een zwak voor je heeft. Zoals er gelukkig meer zijn.’ Even bleef
het stil. ‘Je hebt nooit geleerd je hartstocht te bedwingen, dat
heeft goede en slechte kanten, maar nu heb je een onvergeeflijke fout
gemaakt. Misschien wel de laatste. Tomassoni is dood, hij is al begraven.
Zijn vader was een belangrijk man en men ziet jouw zelfverdediging als
een brute moord. De manier waarop jouw slachtoffer... eh... vernederd
is, maakt het er niet beter op. Iedereen in Rome spreekt erover!’
Hij liep naar het raam alsof hij mij niet langer durfde
aan te kijken.
‘Mijn vriend Niccolini kan je niet langer verborgen houden. Men
heeft mij gewaarschuwd dat er morgen een huiszoeking komt. Je zult moeten
vluchten, alweer, maar deze keer voor langere tijd. Je machtige vrienden
van de Colonna-familie schieten je voor de zoveelste keer te hulp. Je
zult enige tijd op een van de landgoederen van de familie buiten Rome
moeten verblijven, Palestrina, Zagarolo of Paliano. Het is niet langer
dan een dag reizen, de koets staat al voor.’
Del Monte hielp mij met aankleden, zijn handen trilden toen hij mijn
buis dichtknoopte en per ongeluk mijn huid beroerde. Toen ik probeerde
te spreken, zei hij: ‘Zeg maar niets, jongen, ik begrijp het wel.’
Zijn mond trok scheef bij de hoeken. Hij ondersteunde mij en bracht
mij zelf naar het rijtuig. Ik nam niets mee. Alles wat ik had, was mij
ontnomen. Toen de koets wegreed, zag ik zijn habijt in de verte krimpen
tot een kleine spat vermiljoen, als een bloeddruppel op een van mijn
doeken.
|