|
Margreet Hofland
Caravaggio
Uit het boek
Wie is wie
Lezing/cursus
Verantwoording
Gastenboek
In de media
Duizend levens
Contact
Foto's
Links
Bestel
English version |
|
DIUZEND
LEVENS
Voor
mij is God niet buiten, maar in de wereld zelf, als de grote beweger
van alles.
Giordano
Bruno
Airport
Portland in Main
11
september 2001
05.30 uur
Een nieuwe
dag breekt aan. Vlak boven de rand van de horizon klimt de zon langzaam
omhoog. Tere ochtenddauw lost op in een feloranje gloed. Tegen de strakke,
wolkenloze lucht tekent de verkeerstoren van Portland in Main zich donker
af als een vreemde onheilspellende vorm.
Twee mannen met een Arabisch uiterlijk gaan de vertrekhal van
het vliegveld binnen. Ze zijn gekleed in maatkostuums en dragen zijden
dassen. Leren tassen hangen nonchalant over hun schouders. Zakenlieden.
Een baliemedewerker controleert hun tickets en kijkt verrast
op naar het gezicht van de langste man. Het zijn de duurste plaatsen
die op de vlucht naar Los Angeles via Boston verkrijgbaar zijn. Businessclass,
2500 dollar. Dat komt niet vaak voor. Dan schrikt hij van de koude blik
die de zijne kruist. Een blik vol haat en boosheid. Verward slaat hij
zijn ogen neer en rilt inwendig. De mannen lopen gehaast door om in
te checken. Zodra ze door de controle zijn, trekken ze hun colbertjes
uit en doen hun das af. Het valt nog niemand op dat de jasjes in de
vertrekhal blijven liggen, achtergelaten als ballast.

Monique van
der Werff als Beatrice Cenci
Guilty
and yet not guilty
Thus do evil deeds
Breed evil,
Crime brings forth crimes.
uit:
‘The Cenci’ (A Tragedy in five Acts) door Percy Bysshe Shelley,
1820
|
|
EMILIO
Rome,
15 oktober 1599
‘Meer kracht zetten, Ambrogio. Met je hele lijf.’
Als een stenen heilige, gehuld in wit en scharlaken, stond kardinaal
Emilio Sfondrati naast zes tegels die met elkaar een donkere rechthoek
vormden. De andere eromheen waren lichter, verkleurd door de tand des
tijds. Het marmeren altaar dat de donkere rechthoek bedekt had, was
met vereende krachten weggeschoven. Als een dreigende kist met onbekende
inhoud stond het even verderop. Iemand had er oneerbiedig een schop
tegenaan gezet.
Had de kardinaal zijn grijze soutane gedragen dan zou hij moeiteloos
in het interieur van de kerk opgegaan zijn, als een van de stramme beelden
achter zijn rug. Nu schreeuwde het felle rood en wit om aandacht. Emilio
bewoog niet, alleen zijn ogen schitterden. De spanning in zijn lichaam
werd verborgen door de ruimvallende plooien van zijn soutane. Zijn gelaatstrekken
leken met een beitel uitgehouwen en gepolijst tot een uitdrukking die
nooit meer veranderen kon. Strak als een kap lag het korte haar over
zijn schedel. Zijn zwarte baardje was recht afgeknipt en stak naar voren,
alsof de beeldhouwer het goed had willen laten uitkomen. Vlezige wangen
verrieden een voorkeur voor lekker eten. Een ogenschijnlijke zwakte
die gecompenseerd werd door de forse neus en een felle blik uit zwarte
ogen. Diepe groeven liepen van de neusvleugels naar de punten van een
brede snor. De smalle lippen eronder bewogen nauwelijks bij de woorden
die de kardinaal sprak.
‘Geef een tik op de beitel!’
Zijn stem klonk laag en doordringend, misschien wat heser dan
normaal.
Ambrogio probeerde een ijzeren staaf in de groef tussen de tegels
te wrikken. Zweet liep langs zijn slapen in de kraag van zijn hemd.
Het voelde koud aan. Zijn kale schedel glom als gepoetst koper. De kardinaal
boog naar voren. Hij volgde nauwlettend elke beweging van zijn knecht.
De blik die hij op de donkere rechthoek wierp, was geconcentreerd en
gretig. Alsof hij de tegels met zijn geest wilde laten opstijgen. Niemand
die het zag, maar zijn handen onder de korte mozetta klemden zich om
het gouden kruis dat aan een ketting om zijn hals hing. De scherpe randen
sneden in zijn vlees.
Het hemd van Ambrogio plakte aan de brede rug. Af en toe wierp
de knecht een korte blik naar de schaduwen die zich verborgen in de
zijschepen van de kerk. Hij rilde. Plotseling schoot de punt van het
breekijzer in de groef met harde specie. Ambrogio verloor bijna zijn
evenwicht.
‘Benissimo, geef een klap met de hamer!’
Het cement barstte. De knecht wist de beitel onder een van de
tegels te schuiven en lichtte hem enkele centimeters op, maar toen stokte
hij en richtte zich op om te luisteren. Een scherpe klank trok door
de gewelven. Hij keek om en zocht waar het vandaan kwam. De blik van
de kardinaal ging omhoog. Boven hen zwaaide een enorme kroonluchter
heen en weer, als door tochtvlagen in beweging gezet. De schakels van
de kettingen gleden jammerend over elkaar.
‘Santo Dio! Een teken van God… Een waarschuwing.
Ik wist het wel… De doden moeten met rust gelaten worden!’
Het werd Ambrogio te veel. Hij smeet de beitel weg en rende
naar buiten. Op het moment dat de deur dichtviel, stortte de kroonluchter
naar beneden op de plek waar hij zojuist gestaan had. De klap golfde
als een donderslag achter hem aan.
Emilio voelde zijn hart hevig tekeergaan. Sprakeloos keek hij
naar de verbogen resten die nu op de plek lagen waar hij had willen
graven. Boven op de donkere rechthoek.
‘Ambrogio!’ brulde hij. Hij vergat zijn waardige
houding. Maar zijn knecht was weg en kwam niet terug. Besluiteloos keek
hij naar de deur, naar de kroonluchter en weer naar de beitel. Zijn
nagels krabden in zijn baardje. Toen pakte hij twee punten van zijn
kanten onderrok en klemde deze onder het zijden koord dat om zijn middel
geknoopt was. Hij schoof de verbogen kroonluchter opzij en pakte de
zware ijzeren staaf. Hij zette zich schrap om het werk van Ambrogio
af te maken.
Hij was sterk. Al snel kwam de eerste steen omhoog. Hij brak
in twee stukken. Emilio haalde nog een paar stenen weg. Toen zakte hij
op zijn knieën en begon onbeheerst met zijn blote handen in het
zand te graven. De randjes onder zijn gemanicuurde nagels werden zwart.
‘Eindelijk, eindelijk,’ prevelde hij.
Met de schop maakte hij het gat in de grond dieper.
Het hoofd van de kardinaal ving nog net iets op van het oranje schemerlicht
dat in schuine banen door het kerkraam viel. De zachte gloed legde een
koperen glans over zijn haar, als een stralenkrans. Hij leek op een
goddelijke afgezant, zoekend naar een wonder. Zijn hoofd en schouders
kwamen met regelmatige tussenpozen boven de vloer uit en doken dan weer
weg. Slechts het geluid van het zand dat om hem heen viel, was hoorbaar
en ten slotte de droge tik van ijzer op steen: ‘Pok.’
Emilio bukte dieper in de kuil en viel op zijn knieën. Hij
schoof de aarde weg en ontblootte een stuk marmer. Letter voor letter
werd een inscriptie zichtbaar.
‘Cecilia,’ las hij. Zijn bevende lippen bewogen onwillekeurig
mee. ‘Ik heb je gevonden.’
Hij haalde zijn vingers open aan de rand van de steen. Een druppel
bloed spatte op het oppervlak en liep uit in de barsten. Als vurige
littekens op een blanke huid. Toen hij het laatste zand wegveegde, werd
de rest van de tekst leesbaar: HIC CAECILIA IACET. CORPUS ET ANIMA EIUS
IN TERRA SANCTA DOMUS IPSIUS REQUIESCANT, PASCHALIS.*
Emilio strekte zich over de volle lengte van de dekplaat uit
en spreidde zijn armen, als een levend kruis. Tranen drupten op het
koude marmer terwijl hij zijn lippen erop drukte.
Beatrice, je had gelijk.
* Hier rust
Cecilia. Moge haar lichaam en ziel vrede vinden in de heilige grond
van haar huis, Paschalis.
|